In 2010 vertrokken Max de Jong en Barry de Grote naar Afrika om door te breken. Dit is ongeveer wat er gebeurde.
We gingen in februari, de dag na mijn 23ste verjaardag. ‘Broekie,’ had De Grote ge-sms’t, die zelf al tegen de dertig liep.
Mijn ouders brachten me die ochtend al vroeg naar het station om de eerste trein te halen.
‘Je ziet er gek uit met je haar zo kort,’ zei m’n moeder. Ze keek me aan via de achteruitkijkspiegel.
Ik wreef over mijn hoofd. De avond ervoor had ik de tondeuse erover gehaald. Ik vond dat ik er meteen ouder en stoerder uitzag. Als een echte avonturier, net als De Grote.
Hij had al eerder een verre reis gemaakt. Voor mij werd het de eerste keer buiten Europa.
De trein was precies op tijd. Het gerinkel van de sluitende spoorbomen stierf weg over de lege akkers.
‘Nou,’ zei ma.
‘Ja,’ zei ik.
Ze pakte me vast en drukte een kus op mijn wang. ‘Geen domme dingen doen hè.’ Haar ogen waren een beetje vochtig.
Pa gaf me een hand en klopte een paar keer op mijn schouder. ‘Je hoeft niet bang te zijn dat het mislukt is als je eerder terugkomt.’
In de trein duwde ik mijn kaken hard op elkaar om de tranen tegen te houden. Door het raam zag ik twee zwaaiende mensen steeds kleiner worden.
Auto inpakken. Videocamera, statief, lamp, microfoons, bandjes, accu’s, kabels, opladers, externe harde schijf, laptops, fotocamera, extra lenzen, motorolie, koelvloeistof, ruitenwisservloeistof, gevarendriehoek, bandenreparatieset, reservelampen, jerrycans, krik, gereedschapskist, reservewiel, startkabels, ehbo-kit.
De kofferbak raakte al behoorlijk vol. We propten er nog wat dozen met spelletjes en speelgoed bij (cadeautjes voor kinderen en douaniers) en gingen verder op de achterbank.
Tassen met kleding, slaapzakken, kussens, matjes, tent, klamboe, plastic borden en bestek, campingkooktoestel, pannen, flessen water, blikken soep en babi pangang, boeken, een map met gebrande cd’s, een map met papieren en documenten, extra schoenen, slippers, toiletartikelen, handdoeken, een mes en zo nog wat dingen die mogelijk van pas zouden komen.
‘Iets vergeten?’ vroeg De Grote.
De oude Mercedes was tot het plafond gevuld en zakte een beetje door bij de achterwielen.
‘Lijkt me sterk,’ zei ik.
De Grote draaide de sleutel om en met enige tegenzin kwam de auto tot leven.
‘Het is ook voor hem vroeg,’ zei hij.
‘Kun jij eigenlijk een beetje sleutelen?’ vroeg ik.
‘Maak je om deze auto geen zorgen. Een Mercedes uit de jaren negentig is onverwoestbaar. Die kun je van een flatgebouw gooien en dan start-ie nog.’
‘Dat is een geruststellende gedachte.’
‘Ik lees alleen wel overal het advies om een stalen plaat onder het motorblok te lassen,’ zei De Grote. ‘Dan kan hij wat stootjes hebben op ruig terrein. Maar dat regelen we wel in Marokko.’
‘En had je nog een wegenkaart van West-Afrika kunnen vinden?’
‘Nee, die moeten we daar ook nog zien te fiksen.’
‘Komt vast goed, zoveel verschillende wegen zul je daar ook wel niet hebben.’
Zwijgend legden we de eerste honderd en nog wat kilometer af, luisterend naar Morning Dew van Grateful Dead en andere muziek om langzaam bij wakker te worden.
Bij de eerste stop pakten we een tankstationgehaktstaaf met twee pompjes mayonaise en een satékroket die al iets te lang in de vitrine lag - zompig en lauw, precies zoals we ‘m graag hadden - en die we leunend tegen de auto opaten, starend naar voertuigen die voorbij raasden over de A27.
De Grote snoof de snelweglucht op. ‘Hm,’ bromde hij tevreden. ‘De geur van uitlaatgassen in de ochtend. Wen er maar aan. De weg is vanaf nu ons thuis.’
We reden verder en passeerden de grens met België. De tomtom begon te piepen. Op het scherm verscheen een melding. ‘Geen kaarten beschikbaar voor dit gebied,’ las ik voor.
‘Verdomme,’ zei De Grote. ‘Meen je dat nou?’
‘Gelukkig heb ik voor de zekerheid de routebeschrijving uitgeprint,’ zei ik.
Ik haalde een flinke stapel papier uit de map met documenten en bekeek op welk velletje we ons bevonden. Dat viel niet mee, want de tekst op de A4’tjes was nauwelijks leesbaar (de printerinkt was thuis bijna op).
‘Ik denk dat we de eerstvolgende afrit moeten hebben,’ zei ik na een poosje studeren.
‘Hier meteen?’
‘Zo te zien wel.’
De Grote nam de afrit en we kwamen op een hobbelige klinkerweg terecht.
‘Dit lijkt me niet goed,’ zei hij.
‘Nee, mij ook niet.’
‘Jammer dat we niet even kunnen wisselen, ik begin een beetje moe te worden.’
‘Ja, ik had misschien toch mijn rijbewijs moeten halen.’
‘Hoe is je Frans, eigenlijk?’ vroeg hij. ‘Dat spreken ze in de meeste landen waar we naartoe gaan.’
‘Ik had een acht op mijn eindexamen.’
‘Dat scheelt. Ik spreek het echt voor geen meter.’
‘Papa fume une pipe.’
‘Wat?’
‘Vader rookt een pijp.’
‘Ah.’
‘En ik heb woordenboeken meegenomen, voor de zekerheid.’
‘Slim.’
Rond tien uur ‘s avonds, uren later dan gepland, kwamen we aan in La Rochelle, de Franse kustplaats waar we onze eerste overnachting hadden geboekt.
Het was donker en het regende. We hadden geen idee waar het hostel was en zochten iemand om de weg te vragen.
Onder een straatlantaarn stond een oudere dame met een paraplu en een klein hondje. Ik stapte uit en liep op haar af.
‘Bonsoir madame,’ zei ik.
Ze leek een beetje te schrikken. ‘Bonsoir monsieur.’
‘Nous cherchons le Centre International de Séjour.’
‘Ah, l’auberge de jeunesse,’ zei ze en haar gezicht ontdooide. ‘Alors…’ en ze beschreef de route, wijzend en gebarend in verschillende richtingen, steeds sneller pratend en eindigend met ‘…d’accord?’
‘Oui,’ antwoordde ik, ‘merci beaucoup,’ en rende terug naar de auto.
‘En?’ vroeg De Grote.
‘Ik heb geen flauw idee.’
‘Hoezo geen idee, ze legt het je precies net uit toch?’
‘Ja, maar hoe die Fransen Frans praten slaat echt nergens op.’
‘Wat dan?’
‘Echt veel te snel man, niet te volgen. Het enige wat ik verstond was droite en gauche.’
‘Links en rechts betekent dat toch?’
‘Ja, alleen weet ik niet meer welke nou links is en welke rechts.’
‘Is droite niet rechts, omdat er een r in zit?’
‘Nee, dat is volgens mij met bakboord en stuurboord.’
‘Kijk anders in je woordenboek.’
Ik haalde ze uit mijn backpack.
‘Shit,’ zei ik.
‘Wat?’
‘Dit zijn Spaanse woordenboeken.’
Uiteindelijk vonden we het hostel met behulp van een plattegrond in de Lonely Planet.
We sliepen in een zespersoonskamer met nog drie andere gasten. De verwarming stond hoog en er hing een zoute zweetvoetenlucht. Iemand snurkte met onregelmatige uithalen.
Ik deed die nacht nauwelijks een oog dicht. Wat moest De Grote wel niet van me denken na vandaag?


