In 2010 vertrokken Max de Jong en Barry de Grote naar Afrika om door te breken. Dit is ongeveer wat er gebeurde.
In mijn meer avontuurlijke jaren wilde ik reisblogger worden. Ik was met een vriend naar Bosnië gereden en mijn stukjes daarover op Hyves waren enthousiast ontvangen.
Ik was net klaar met mijn studie, woonde weer bij mijn ouders thuis in het dorp en werkte als weekendhulp bij de lokale sportredactie.
Toen kwam dat sms’je van De Grote (Barry heette hij van voren, naar Barry Hay, maar iedereen noemde hem De Grote, geen idee waarom eigenlijk). Hij had een plan. Samen plannen maken was onze kernactiviteit, ook al voerden we ze meestal niet uit.
We spraken af in zijn kamer in de Elvis Presleyflat, een matig onderhouden appartementencomplex in Zwolle waar niemand elkaar kende - de Elvis uit zijn nadagen. We hadden er vaker gezeten dan in de schoolbanken.
Hij stelde voor om een jaar naar Afrika te gaan. Hij had een oude Mercedes op de kop getikt en wilde reisvideo’s maken. Ik zou bloggen.
De Grote kon zoiets brengen alsof je het gewoon kon doen.
Hij vond dat we Jim Morrison ter harte moesten nemen. I don’t know what’s gonna happen man, but I wanna have my kicks before the whole shithouse goes up in flames!
Hij vulde de ruimte met de rook van een majestueuze joint. ‘Er is hier niks voor ons.’
Ik besloot alles op te geven.
Mijn ouders reageerden wat vertwijfeld, maar leenden me uiteindelijk wel geld om de reis te kunnen maken. Mijn baas fronste toen ik het vertelde. ‘Nee,’ zei hij, ‘daar ben ik nog nooit geweest.’
We haalden vaccinaties en malariatabletten, bouwden een website met WordPress en stippelden de route uit.
In Spanje zouden we de veerboot naar Marokko pakken, dan de Sahara oversteken naar Senegal en langs de kust doorrijden naar Ghana. Daar de auto verkopen. Volgens De Grote was die daar vijf keer zoveel waard als hier, genoeg om onze vliegtickets naar huis te betalen.
We mailden zoveel mogelijk redacties en organisaties dat we die kant op gingen en beschikbaar waren voor opdrachten. Een stichting in Senegal wilde dat we een documentaire kwamen maken. Dat was alvast de eerste klus.
Een paar dagen voor vertrek gaven m’n vrienden van voetbal een afscheidsfeest in de kantine.
Verrassend was dat niet, op de club werd alles aangegrepen als reden voor een feestje. Begin van het seizoen: feestje. Halverwege het seizoen: feestje. Nieuwe ballen: feestje. Deur geverfd: feestje.
Mensen hadden zich verkleed. Een leeuw, een farao, ik zag afropruiken en kleurrijke doeken.
We schreeuwden fonetisch mee met Alane van Wes en probeerden in de maat te bewegen. De ramen waren beslagen en de tafels stonden vol met halflege flesjes.
Mijn broer was er met zijn zwangere vriendin en ook mijn zusjes en ouders waren gekomen.
Op een gegeven moment klom Gijs, de vriend met wie ik ook naar Bosnië was gereden, op een tafel.
‘Dames en heren, mag ik even jullie aandacht? Max, kom eens naar voren.’
Ik ging bij de tafel staan.
‘Max, zoals je weet strijden we dit seizoen nog voor het kampioenschap. We gaan je dus ontzettend missen… althans, op het feest na afloop.’
Gelach en gejuich.
‘Met de auto naar Afrika, dat hadden we toch niet verwacht van de enige in ons team zonder rijbewijs. En zeker niet van iemand die al verdwaalt als hij een bal uit de sloot moet halen.’
Nog meer gelach en gejuich.
‘Nee, zonder gekheid,’ zei Gijs. ‘Maak er wat moois van jongen.’
‘Speech!’ riep iemand.
‘Speech!’ volgde de rest. ‘Speech!’
Ineens had ik zin om iets inspirerends te zeggen. Iets over avontuur, vrijheid en jezelf testen. Maar terwijl iedereen naar me keek, kon ik niks bedenken.
‘Eh ja, mooi dat jullie dit georganiseerd hebben,’ zei ik toen maar. ‘We houden natuurlijk contact. Dus eh… ja.’
‘Muziek!’ riep iemand.
Voor de vierde keer die avond werd Alane ingestart.


