Botsing
Hij was net zo lekker bezig.
Met de wind in de rug vlieg ik langs het kanaal, handen onderin de beugels, geconcentreerd. Alles om me heen wordt een waas.
Ineens, in mijn ooghoek: een scooter.
Ik rij aan de linkerkant van het fietspad. In een reflex stuur ik naar rechts, precies op het moment dat hij me daar wilde inhalen.
‘Nee gast, wat doe je?!’ schreeuwt hij.
Piepende remmen. Ik zet me schrap. Hij schampt mijn achterwiel, gaat onderuit en schiet de bosjes in.
Kutkutkut.
De man krijst het uit. Misschien heeft hij beide benen gebroken. En zijn rug.
Zelf ben ik niet gevallen. Ik rem, spring van mijn fiets en ren naar hem toe.
‘Sorrysorrysorry.’
De logge man hijst zichzelf omhoog. ‘Godverdomme! Waarom rij jij daar? Waarom rij jij daar? Je rijdt mij gewoon van de weg! Ik heb hier helemaal geen tijd voor.’
Hij raapt zijn scooter op, een blauwe Vespa, en probeert hem te starten. De motor weigert. Het ruikt naar benzine. De voorkant is flink beschadigd.
‘Ik moet naar m’n werk. Hoe ga ik daar nu komen?’
‘Gaat het wel?’ stamel ik. ‘Heb je niks? Ik zag je ineens aankomen. Ik schrok.’
De man kalmeert iets. Hij zet zijn helm af en blijkt een jonge gast te zijn.
‘Ik heb letterlijk nog 60 cent op mijn rekening. Dit gaat me 600, 700 euro kosten. Hoe moet ik dat betalen, een jongen van 22?’
Hij kijkt naar de grond.
‘Ik was net zo lekker bezig de laatste tijd.’
Omar heet hij, en de scooter is van zijn zusje. ‘Wat gaat zij zeggen?’ Hij gaat voor de scooter staan en maakt een selfie. ‘Voor m’n baas, als bewijs.’
Ik onderzoek mijn fiets. Gebroken spaken, de derailleur eraf, een barst in het frame. Total loss.
Omar belt vrienden, daarna zijn zusje. ‘Goedemorgen, ben je wakker?’ Het is twee uur ’s middags. ‘Ik heb een aanrijding gehad. Gelukkig hebben we allebei niks. Ja, alleen wat schaafwondjes.’
Hij hangt op. ‘Dat was m’n zusje, ze is een jaar jonger dan ik. Ze studeert.’
Hij trekt met zijn rechterbeen. ‘Die is ooit gebroken geweest. Kijk maar.’ Hij zet zijn benen naast elkaar. Zijn rechter staat wat scheef.
‘Oh ja, ik zie het inderdaad.’
Zijn telefoon gaat. ‘Shit, m’n moeder.’ Op zachte, schuldbewuste toon doet hij zijn verhaal in een taal die ik niet versta.
‘Ik was net zo lekker bezig de laatste tijd,’ zegt hij nog eens na het ophangen.
Hij zucht. ‘Ik zag mijn hele leven aan me voorbijflitsen. Pfff. Ik ben blij dat we allebei niks hebben. Sorry dat ik zo flipte net.’
‘Geeft niet,’ zeg ik.
Samen lopen we richting het treinstation, onze gehavende voertuigen aan de hand.


